Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Tips voor correcte Nederlandse zinnen

 

1 Let op het correcte gebruik van de aanwijzende voornaamwoorden:

deze, dit, die en dat

 

Deze jongetje staat in dit krant
Dit jongetje staat in deze krant

 

2 Gebruik alleen een -e achter het adjectief als het nodig is:

 

Het is een boeiende onderwerp voor ieder student
Het is een boeiend  onderwerp voor iedere student

 

3 Gebruik het lidwoord (de, het) waar dat nodig is:

 

Ik woon in – Eemstraat, vlakbij – Amstel.
Ik woon in de Eemstraat, vlakbij de Amstel.

 

4 Let op het gebruik van waarover, waarvan, waaruit et cetera:

Het huis in wat ik geboren ben, is gesloopt.
Het huis waarin ik geboren ben, is gesloopt.

 

5 Vergeet ‘het niet!

 

Ik ben – met je eens
Ik ben het met je eens

 

6 Zet de persoonsvorm op de tweede plaats in de hoofdzin

 

Morgen we gaan de hele dag studeren
Morgen gaan we de hele dag studeren

 

7 Zet de persoonsvorm achteraan in de bijzin

 

Het lukt alleen als je werkt heel hard
Het lukt alleen als je heel hard werkt

 

8 Scheid het werkwoord als het nodig is

 

 Het voorkomt, dat de post raakt kwijt
Het komt voor, dat de post kwijtraakt

 

9 Gebruik het reflexief pronomen als het nodig is

 

Veel dingen herinner ik niet meer
Veel dingen herinner ik me niet meer

10 Let op het juiste hulpwerkwoord in passieve zinnen

 

Jullie zijn verwacht om 7 uur
Jullie worden verwacht om 7 uur

 

11 Let op het juiste hulpwerkwoord in het perfectum

 

Zij heeft gestopt met werken
Zij is gestopt met werken

 

12 Niet jij, maar je!

 

In die stad kun jij veel bekijken
In die stad kun je veel bekijken

 

13 Vergeet er niet!

 

Mijn zus heeft drie katten, mijn broer heeft geen.
Mijn zus heeft drie katten, mijn broer heeft er geen.

 

14 Let op gebruik van er in uitdrukkingen

 

 Je ziet goed uit!
Je ziet er goed uit!

 

15 Geen imperfectum, maar presens

 

Ze heeft al jaren bij de universiteit gewerkt
 Ze werkt al jaren bij de universiteit