Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Scheidbare werkwoorden

Scheidbare werkwoorden zijn combinaties van een werkwoord met een prefix (voorvoegsel): uitstellen (uit + stellen), aandoen (aan + doen), terechtkomen (terecht + komen), enzovoorts. Zo’n scheidbaar werkwoord schrijf je soms aan elkaar en soms niet. Hier volgen de regels.

 

Wel of niet uit elkaar: scheidbare werkwoorden in hoofd- en bijzinnen

In hoofdzinnen

Scheiden, uit elkaar

De gemeente nodigt alle inwoners uit. (presens of imperfectum)
De gemeente besloot alle inwoners uit te nodigen. (infinitief met te)

Niet scheiden, aan elkaar

De gemeente heeft alle inwoners uitgenodigd. (perfectum)
De gemeente wil alle inwoners uitnodigen. (infinitief)

 

In bijzinnen

Scheiden, uit elkaar

De bijeenkomst zal groots worden, omdat de gemeente besloot alle inwoners uit te nodigen. (infinitief met te)

Niet scheiden, aan elkaar

De bijeenkomst zal groots worden, omdat de gemeente alle inwoners heeft uitgenodigd. (perfectum)
De bijeenkomst zal groots worden, omdat de gemeente alle inwoners uitnodigt. (presens)
De bijeenkomst zal groots worden, omdat de gemeente alle inwoners wil uitnodigen. (infinitief)

 

Scheidbare en niet-scheidbare werkwoorden met een prefix

Er zijn echter ook werkwoorden met een prefix die nooit scheidbaar zijn, bijvoorbeeld:

Hij overtuigt iedereen van zijn gelijk.
Hij heeft iedereen van zijn gelijk overtuigd.
Hij weet iedereen van zijn gelijk te overtuigen.

 

Bij een scheidbaar werkwoord ligt de klemtoon altijd op het (eerste element van het) werkwoorddeel, bij verreweg de meeste niet-scheidbare werkwoorden niet. Hier volgt een aantal veel voorkomende scheidbare en niet-scheidbare werkwoorden. Twijfel je over de klemtoon? Check het dan in je woordenboek.

 

Scheidbare werkwoorden: klemtoon op het prefix

De klemtoon ligt op het eerste deel van het woord (het prefix):

uitgeven, teleurstellen, voorstellen, meevallen, voorkomen (= o.a. gebeuren), aanstellen

 

Niet-scheidbare werkwoorden: klemtoon op het werkwoorddeel

De klemtoon ligt op het werkwoorddeel, en dan wel op het eerste element daarvan:

ontdekken, bespreken, verkopen, overtuigen, voorkomen (= zorgen dat iets niet gebeurt)

 

Oefening: welke fouten zitten in deze zinnen?

  1. De vergadering plaatsvindt in het gemeentehuis.
  2. Iedereen klaagt omdat de ontevredenheid onder de mensen neemt toe.
  3. Deze ziekte voorkomt bijna niet meer in Nederland.

Bekijk de antwoorden.