Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Het werkwoord of verbum

 

Zelfstandige werkwoorden

De meeste werkwoorden zijn zelfstandige werkwoorden: doen, spreken, opstaan, geloven, bespreken en  zich schamen

 

 

Ik lees een boek.
Wij eten een pizza.

 

Zelfstandige werkwoorden waarbij geen direct oject gebruikt kan worden, noemen we intransitief.

 

Ik fiets naar huis
Wij lachten heel hard

Hulpwerkwoorden

Er zijn verder vier soorten hulpwerkwoorden.
1   Hebben en zijn zijn hulpwerkwoorden van tijd.

 

Hij heeft gisteren een nieuwe fiets gekocht.
Dat kind is enorm gegroeid.

 

2  Moeten, mogen, kunnen, willen, hoeven en zullen noemen we modale hulpwerkwoorden.

 

Je moet je haar nog kammen.
Mogen we al iets nemen?

 

3   Zijn, worden en blijven zijn koppelwerkwoorden in een naamwoordelijk gezegde.

 

Hij is heel sympathiek
Dat blijft een probleem.

 

4    Zijn en worden gebruik je als hulpwerkwoorden als een zin in de lijdende vorm of passief staat.

 

Die huizen worden allemaal verkocht.
Mijn bankpasje is gestolen.