Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Het gebruik van ‘er’

In een aantal gevallen gebruik je er om de zin compleet te maken. Er heeft echter geen nadruk dus je moet goed luisteren om het te horen. Er zijn enkele regels maar het komt vooral aan op: veel oefenen en lezen.

 

De regels

Plaats er Vervanging andere woorden? Vervanging door daar?
Locatie Na de persoonsvorm Ja Ja
Prepositie Na de persoonsvorm Ja Ja
Telwoord Na de persoonsvorm Ja Nee
Indefiniet subject Aan het begin van de zin Nee Nee
Passieve zin Aan het begin van de zin Nee Nee

 

Locatie en prepositie

Als je er gebruikt in combinatie met een locatie of prepositie, kun je het vervangen door daar. Bijvoorbeeld:

Locatie: Ik ben er al jaren niet meer geweest.
Prepositie: Ik heb er geen zin in.

Telwoord

Je kunt er gebruiken in combinatie met een telwoord als het duidelijk is waarnaar je verwijst gaat. Bijvoorbeeld:

Hoeveel broers heb je? Ik heb er vier. Van hen heb ik er twee al jaren niet gezien.
Wil je nog meer broodjes mee? Nee, ik heb er al genoeg.
Heb je nog veel eieren in huis? Nee, ik heb er nog maar twee.

Indefiniet subject

Een indefiniet subject introduceert de plaatsbepaling van het substantief. Bijvoorbeeld:

Er zijn genoeg mensen hier.
Er is een ijswinkel in de stad.

Passieve zin

Een passieve zin kan beginnen met er. Bijvoorbeeld:

Er wordt hard gewerkt hier.

Uitdrukkingen met ‘er’

In een aantal uitdrukkingen wordt er gebruikt. Zonder er is zo’n uitdrukking niet compleet. Bijvoorbeeld:

Eruitzien: Hij ziet er gezond uit.
Ervandoor gaan: Ze ging er snel vandoor.
Ervanlangs krijgen: De student kreeg ervan langs.
Ervan komen: Dat komt ervan, als je niet op tijd bent.
Er even tussenuit gaan: Ik ging er even tussenuit voor ik weer begon.
Ervan uitgaan: Je kunt ervan uitgaan dat er morgen sneeuw ligt.

Oefening: Welke fout met ‘er’ wordt (er) gemaakt?

  1. U ziet goed uit vandaag, beter dan gisteren. Voelt u zich ook beter?
  2. Ik ga snel vandoor. Het college begint over vijf minuten.
  3. Hij is helemaal overwerkt. Hij gaat een tijdje tussenuit.
  4. Heb jij een pasje? Ja, ik heb een.
  5. Hebben ze kinderen? Nee, ze hebben geen.
  6. Was er veel belangstelling voor zijn kaartjes? Ja, ik geloof dat hij zo’n honderd verkocht heeft.

Bekijk de antwoorden.