Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Reflexieve werkwoorden

Reflexieve werkwoorden Reflexieve werkwoorden zijn een combinatie van een werkwoord met een reflexief pronomen. Hieronder zie je veel voorkomende reflexieve werkwoorden met bijbehorend pronomen: Ik schaamde me voor m’n stomme opmerking. Jij trekt je die kritiek te persoonlijk aan. Hij vergiste zich in het telefoonnummer en belde een wildvreemde. Wij distantiëren ons van die maatregelen. Jullie moeten je haasten, als je nog op tijd wil […]

Voornaamwoorden: woorden als ‘ik’, ‘jouw’ en ‘deze’:

Er zijn acht soorten prononima of voornaamwoorden:     pronomen personale of persoonlijk voornaamwoord: ik, mij, zij, jullie, het, ‘m, etc. possessief pronomen of bezittelijk voornaamwoord: mijn, jouw, d’r, onze, etc. demonstratief pronomen of aanwijzend voornaamwoord: deze, die, dit, dat, zo’n etc. interrogatief pronomen of vragend voornaamwoord: wie, wat, welke, wat voor een. relatief pronomen […]

Online hulpmiddelen voor woordenschatuitbreiding (voor NT2’ers)

Hieronder volgen tips hoe je online je woordenschat kunt vergroten: zoek de betekenis, vertaling of de juiste vorm van een uitdrukking of spreekwoord op: Nederlandse spreekwoorden en gezegden gebruik een synoniem van een woord: Synoniemen.net oefen met synoniemen (en andere stijlfiguren: Cambiumned zoek de betekenis van een woord op: Online woordenboek van Van Dale zoek […]

De juiste woordvorm

Je kunt de vorm van een woord op verschillende manieren veranderen. 1. Samenstelling   Je kunt van twee of drie woorden één woord maken: boeken + kast = boekenkast studie + financiering = studiefinanciering eerste + jaar + student = eerstejaarsstudent hbo + opleiding = hbo-opleiding massa + ontslag = massaontslag   Bij de samenstelling moet […]

Voornaamwoorden of pronomina

Er zijn acht soorten prononima:   pronomen personale of persoonlijk voornaamwoord: ik, mij, zij, jullie, het, ‘m etc possessief pronomen of bezittelijk voornaamwoord: mijn, jouw, d’r, onze etc demonstratief pronomen of aanwijzend voornaamwoord: deze, die, dit, dat, zo’n etc interrogatief pronomen of vragend voornaamwoord: wie, wat, welke, wat voor een relatief pronomen of betrekkelijk voornaamwoord: […]

Scheidbare werkwoorden

Scheidbare werkwoorden zijn combinaties van een werkwoord met een prefix (voorvoegsel): uitstellen (uit + stellen), aandoen (aan + doen), terechtkomen (terecht + komen), enzovoorts. Zo’n scheidbaar werkwoord schrijf je soms aan elkaar en soms niet. Hier volgen de regels.   Wel of niet uit elkaar: scheidbare werkwoorden in hoofd- en bijzinnen In hoofdzinnen Scheiden, uit elkaar […]

Plaats van de persoonsvorm in de hoofdzin

De persoonsvorm van het werkwoord staat in mededelende hoofdzinnen altijd op de tweede plaats in de zin. Kijk maar: Kinderen kijken tegenwoordig urenlang televisie. 1                2            3             …… Ook zitten ze hele dagen te gamen of te internetten 1         2     3   ……   Lekker buiten spelen is er niet meer bij. 1       […]

Het gebruik van ‘het’ in uitdrukkingen

In een aantal uitdrukkingen wordt het gebruikt. Zonder het is de uitdrukking niet compleet. Het koud hebben Het warm hebben Het goed hebben Het slecht hebben Het leuk hebben Het naar je zin hebben Het eens zijn met Het weer goed maken met iemand Het voor elkaar hebben Het met iemand kunnen vinden Het niet breed hebben Het breed laten hangen Het heeft in deze zinnen geen nadruk, je moet goed luisteren […]

Hoe gebruik je woorden als waarover, waarvan, waaruit?

Als je een voorzetsel met een voornaamwoord wil gebruiken, moet je geen voorzetsel + het, voorzetsel + deze/dit en voorzetsel + die/dat gebruiken, maar er + voorzetsel, hier + voorzetsel, daar + voorzetsel of waar + voorzetsel. Ingewikkeld? Kijk maar naar de voorbeelden. 1. Het is een ingewikkelde kwestie. We discussiëren er al uren over. Over de/het → erover (= Over de kwestie) Over deze → hierover (= Over deze kwestie) […]

Het gebruik van het lidwoord bij geografische begrippen

Je gebruikt een bepaald lidwoord, dus de of het bij geografische begrippen, bij namen van: wegen, straten, pleinen, grachten rivieren, kanalen, zeeën. meren, plassen bergen en bossen Bijvoorbeeld: Ze wonen in de Van Eeghenstraat, vlakbij het Vondelpark.   Let op: je gebruikt geen lidwoord bij: eigennamen werelddelen, landen, provincies, steden, dorpen. Bijvoorbeeld: Zijn naam is Basaran. Hij komt uit Turkije en woont nu in Nederland, in Groningen.   Wél een lidwoord Geen lidwoord 1 […]