Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Voorzetsel of prepositie

Voorbeelden van preposities zijn: op, in, voor, naast, zonder, tijdens, door.


  • De sleutels liggen op de keukentafel.
  • Mijn portemonnee zit in mijn jas.
  • De auto staat voor de deur.
  • Gisteravond zat ik naast je broer.
  • Waarom eet je patat zonder mayonaise?
  • Tijdens de feestdagen is de winkel gesloten.
  • Als je door de gangen van het gebouw loopt, kom je veel bekenden tegen.