Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Het gebruik van presens voor verleden en heden

Het gebruik van ‘presens’
Je gebruikt het presens voor iets wat nu gebeurt, voor iets wat regelmatig gebeurt en voor de toekomst. Bijvoorbeeld:

 

Ik ga altijd op de fiets naar mijn werk. Meestal is het droog weer, maar vandaag regent het pijpenstelen. Ik word kleddernat. Morgen neem ik een regenponcho mee.

 

Je gebruikt het presens ook voor het heden met een stuk verleden. Je moet dan meestal het woordje ‘al’ of ‘nu’ gebruiken. Bijvoorbeeld:

  • Ze wonen al meer dan 10 jaar in Alicante.
  • Yusuf is al dertig jaar in Nederland.
  • Ze wachten al vijf uur op het vliegtuig.

 

Oefening: het gebruik van presens

Welke fouten worden hier gemaakt?

 

  1. Ik heb al heel lang op de Overtoom gewoond.
  2. Hij heeft al jaren in Rome gewerkt.
  3. Ze heeft al zes jaar wiskunde gestudeerd.

 

Meer weten over het gebruik van werkwoordstijden?

  • Zie ‘De regels van het Nederlands’: Hoofdstuk 11 Vormkenmerken van het werkwoord en 14. Het gebruik van werkwoordstijden