Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Het gebruik van ‘er’ in combinatie met telwoorden

 

Het gebruik van ‘er’ in combinatie met telwoorden. Je gebruikt ‘er’ in combinatie met een telwoord (twee, 100, veel, genoeg) als het duidelijk is waarover het gaat. Bijvoorbeeld:

 

 

 

Hoeveel broers heb je? Ik heb er vier. Van hen heb ik er twee al jaren niet gezien.
Wil je nog meer broodjes mee? Nee, ik heb er al genoeg.
Heb je nog veel eieren in huis? Nee, ik heb er nog maar twee.


 

Oefening: gebruik van ‘er’

Wat is de gemaakte fout?

  1. Heb jij een pasje?  *Ja, ik heb.
  2. Hebben ze kinderen?   * Nee, ze hebben geen.
  3. Was er veel belangstelling voor zijn kaartjes?   *Ja, ik geloof dat hij er zo’n honderd verkocht heeft.

 

 

Meer weten over het gebruik van dit ‘er’?

  • Zie ‘De regels van het Nederlands’: Hoofdstuk 33.2.