Hét online taaladviespunt HvA en UvA

‘Hebben’ en ‘zijn’ als hulpwerkwoorden van tijd

‘Hebben’ en ‘zijn’ als hulpwerkwoorden van tijd.
Je gebruikt bij de voltooide tijd (perfectum en plusquamperfectum) vaak het hulpwerkwoord ‘hebben’, bijvoorbeeld: ‘ik heb een brief geschreven’, ‘we hebben veel gelachen’. Je gebruikt ‘zijn’ bij een werkwoord dat een verandering van situatie aangeeft, zoals: groeien, veranderen, sterven, verhuizen. Bij werkwoorden van bewegen (lopen, fietsen, rijden) gebruik je ‘hebben’ als alleen het bewegen wordt genoemd. Je gebruikt ‘zijn’ als de plaats genoemd wordt waar de beweging naartoe gaat. Ingewikkeld? Kijk maar naar de voorbeelden.
Hebben Zijn
Hij heeft een huis gebouwd. Wat is ze veranderd, ik herkende haar niet.
Ze hebben er niets van begrepen. De baby is flink gegroeid.
Hij heeft de hele nacht doorgewerkt. Wanneer is hij overleden? Ik geloof dat hij al in 1995 gestorven is.

 

Het had die nacht gesneeuwd. Hij is te snel afgedaald.
Werkwoorden van beweging
hebben zijn
Zij hebben deze zomer in Ierland gefietst. Ze zijn naar Dublin gefietst.
Ik heb elke dag in de zee gezwommen. Ik ben naar de overkant gezwommen.
We hebben in het bos gewandeld. We zijn naar Arnhem gewandeld.

 

Oefening: welke  fouten staan er in onderstaande zinnen?

 

  1. Zij hebben vorige week naar Parijs verhuisd.
  2. De bomen in de straat hebben enorm gegroeid. Ze zijn reusachtig geworden.
  3. Deze zomer heeft hij naar Santiago de Compestela gelopen.

 

Meer weten over hulpwerkwoorden van tijd?

  • Zie ‘De regels van het Nederlands’: Hoofdstuk 11.4 De keuze tussen ‘hebben’ en ‘zijn’ bij de vorming van het perfectum en plusquamperfectum