Hét online taaladviespunt HvA en UvA

De bijzin

Voorbeelden van bijzinnen zijn:

 

  • Wie zoet is….
  • ….dat hij ziek was
  • ….die daar staat….
  • ….omdat het al laat is.

 

Bijzinnen vervullen een bepaalde functie in een hoofdzin. Het zijn onderdelen van een hoofdzin mét een eigen persoonsvorm.

 

Bijzinnen zijn vaak met de rest van de zin verbonden door onderschikkende conjuncties zoals: terwijl, omdat, toen, als, zolang, hoewel etc. Ook de betrekkelijke voornaamwoorden of relativa: die, dat, wie en wat en de voornaamwoordelijke bijwoorden waarop, waarin, waarmee, op wie, met wie, door wie etc. kunnen bijzinnen met de rest van de zin verbinden.

 

 

LET OP

Als mensen met elkaar praten, in de spreektaal dus, is het heel gewoon om met een losse bijzin te antwoorden:

– Waarom ga je niet met de fiets? – Omdat het veel te glad is.

– Wat zei ze? – Dat ze geen zin meer heeft om mee te gaan.

 

Als je losse bijzinnen in formeel geschreven Nederlands gebruikt, maakt dat een erg informele indruk. Doe dat dus liever niet.