Hét online taaladviespunt HvA en UvA

Cursussen Nederlands als tweede taal

Als je in Nederland studeert maar Nederlands is niet je moedertaal, dan loop je  tijdens je opleiding vaak nog  tegen problemen aan met de Nederlandse taal. Je merkt bijvoorbeeld dat je  vocabulaire niet groot genoeg is om de studieboeken in een goed tempo door te lezen. Of je vindt het nog lastig om in een […]

Overzicht: vocabulaire voor nt2’ers

Is Nederlands niet je moedertaal en wil je je Nederlandse woordenschat uitbreiden of verbeteren? Hieronder volgt een overzicht van alle vocabulaireonderdelen voor Nt2’ers op deze site: De juiste woordvorm:  Is het begrijpbaar of begrijpelijk? Boekkast of boekenkast? Tips voor het uitbreiden van je woordenschat: hoe leer je snel meer woorden en hoe zorg je ervoor […]

Keuze van de werkwoordstijd

Praten over de toekomst   Volgende week ben ik klaar met deze opdracht. (presens) Mijn moeder wordt morgen zestig. (presens) Ik ga de opdracht deze week afmaken. (gaan + infinitief) Ik zal de opdracht volgende week inleveren. (zullen + infinitief   Let op: Je kunt ‘gaan’ + infinitief niet gebruiken als er ook nog ‘zijn‘, ‘hebben‘ […]

Meerdere werkwoorden in een zin

  Welke vorm krijgen werkwoorden achteraan de zin? Staan er twee werkwoorden in een zin? Eén van deze werkwoorden is de persoonsvorm. Is deze persoonsvorm een vorm van ‘hebben’ of ‘zijn’? Dan moet het andere werkwoord een voltooid deelwoordsvorm (participium) krijgen, met -t, -d of -en: Hij heeft/had een nieuwe opdracht bedacht. Hij heeft/had een nieuwe opdracht geregeld. Hij […]

Onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden zijn werkwoorden met een klinkerwisseling in perfectum en/of imperfectum:   schrijven – schreef – heeft geschreven voldoen – voldeed – heeft voldaan springen – sprong – is gesprongen   Hebben of zijn?   De meeste onregelmatige werkwoorden krijgen ‘hebben’ als hulpwerkwoord:   Hij heeft haar een mailtje geschreven. Hij heeft de boete voldaan. […]

Het gebruik van presens voor verleden en heden

Het gebruik van ‘presens’ Je gebruikt het presens voor iets wat nu gebeurt, voor iets wat regelmatig gebeurt en voor de toekomst. Bijvoorbeeld:   Ik ga altijd op de fiets naar mijn werk. Meestal is het droog weer, maar vandaag regent het pijpenstelen. Ik word kleddernat. Morgen neem ik een regenponcho mee.   Je gebruikt het presens ook voor het heden met een stuk verleden. […]

Uitdrukkingen met ‘er’

In een aantal uitdrukkingen wordt er gebruikt. Zonder er is de uitdrukking niet compleet. Er heeft geen nadruk, je moet goed luisteren om het te horen. Eruitzien Er vandoorgaan Er van langs krijgen Dat komt ervan Er een tijdje uitgaan   Oefening: ‘er’ in uitdrukkingen Welke fout wordt er gemaakt? U ziet goed uit vandaag, beter dan gisteren. Voelt u zich ook beter? Ik […]

Het gebruik van ‘er’ in combinatie met telwoorden

  Het gebruik van ‘er’ in combinatie met telwoorden. Je gebruikt ‘er’ in combinatie met een telwoord (twee, 100, veel, genoeg) als het duidelijk is waarover het gaat. Bijvoorbeeld:       Hoeveel broers heb je? Ik heb er vier. Van hen heb ik er twee al jaren niet gezien. Wil je nog meer broodjes […]

Gebruik van ‘jij’ en ‘je’

  ‘Je’ kan op twee manieren gebruikt worden:   1. Als persoonlijk voornaamwoord. Het is dan een vorm van ‘jij’.  bijvoorbeeld: Kom je / jij ook? ‘Jij’ heeft nadruk en ‘je’ heeft geen nadruk.   2. Als onbepaald voornaamwoord. Je gebruikt het om algemene dingen te zeggen, dingen die voor iedereen gelden. Bijvoorbeeld: Je mag hier niet roken. […]

‘Hebben’ en ‘zijn’ als hulpwerkwoorden van tijd

‘Hebben’ en ‘zijn’ als hulpwerkwoorden van tijd. Je gebruikt bij de voltooide tijd (perfectum en plusquamperfectum) vaak het hulpwerkwoord ‘hebben’, bijvoorbeeld: ‘ik heb een brief geschreven’, ‘we hebben veel gelachen’. Je gebruikt ‘zijn’ bij een werkwoord dat een verandering van situatie aangeeft, zoals: groeien, veranderen, sterven, verhuizen. Bij werkwoorden van bewegen (lopen, fietsen, rijden) gebruik […]